Column: Gotisch gebouwd
Een column van Jaan-Eik Tulve
Toen ik geboren werd, was Arvo Pärt al een vermaard componist. Al duurde het jaren voor ik zijn muziek effectief hoorde. In Estland – waar onzer beider wiegen stonden – werd zijn muziek in de jaren ‘80 niet uitgevoerd. Hij was door het sovjetregime als dissident aangeduid, het land uitgevlucht, en zijn muziek belandde achter gesloten deuren. We wisten wel dat hij steeds beroemder werd, en dat hij bijzondere muziek schreef, maar niet wát voor muziek – op de radio en in de concertzalen werd die niet vertolkt.
Het was pas in 1989 – ik was toen al 22 – dat ik zijn ‘Te Deum’ voor het eerst hoorde en zong. En niet veel later, tijdens mijn studies aan het Parijse conservatorium, hokte ik samen met een Franse vriend die bezeten was door Pärts muziek. (En die niet kon geloven dat ik zijn muziek niet kende.) Daar heb ik me verdiept in zijn werk, en daar heb ik de ‘Passio ‘ leren kennen. Een stuk dat je vanaf de eerste keer bijblijft. Pärt is altijd in mijn leven gebleven, zelfs al ging mijn carrière een andere richting uit.
Groot was ook onze verbazing toen midden jaren ‘90, na een van de eerste concerten met Vox Clamantis, de grootmeester zelf op ons afstemde. Wij waren toen gewoon jonge mannen met een voorliefde voor gregoriaans reprtoire. En hij, de grote Arvo Pärt, deelde die voorliefde. Daar en dan stelde hij voor om muziek van hem uit te voeren. We werden een gemengd koor, plots in de mogelijkheid om de grootste werken van Pärt uit te voeren. Zoals die prachtige ‘Passio’. En nu, bijna 30 jaar later, is de muziek van Pärt onze specialiteit, en mogen we hem een vriend noemen. Het geeft ons het voorrecht om in zijn hoofd en in zijn muziek te duiken, en ons de ogen te openen over de diepgang van zijn werk. Nog steeds sta ik versteld van de doordachtheid van zijn muziek.
In de muziekgeschiedenis zijn er veel Passies geschreven, door veel verschillende componisten, elk met hun eigen nadrukken, vanuit hun eigenlijk leefwereld. Toch zou ik de ‘Passio’ van Pärt de meest menselijke noemen. Het werk zit mathematisch rotsvast in elkaar – beweegt de ene stem bij een lang woord naar omhoog, dan gaat de corresponderende dialoogstem evenredig naar beneden. Die strikte regels – zijn typische tintinnabulistijl – hangen alles aan elkaar vast. Ik vergelijk het soms met een massieve gotische kathedraal, een grote constructie die zo stevig staat omdat alle details kloppen.
Arvo heeft soms veel tijd nodig om muziek op papier te zetten. Maar het gaat nooit over het schrijven zelf, maar eerder over het vinden van de oplossing voor de tekst. Eenmaal die oplossing er is, volgt de muziek vanzelf. Muziek die op een primordiaal niveau logisch klinkt en aanvoelt. De innerlijke emotie van de tekst komt daardoor tien keer harder binnen. Als de Evangelist – hier met vocaal én instrumentaal kwartet – vertelt in Pärts ‘Passio’, dan voel je dat in elk bot. Krachtige blokken muziek verklanken de tekst. Laat ze vanavond op je borstkas vallen. Ze zullen je niet verpletteren, maar wel het gevoel geven dat je leeft.
Jaan-Eik Tulve is artistiek leider van Vox Clamantis. Bekijk een langer interview met hem over de muziek van Arvo Pärt op onze website.