In de vitrinekast: “Is It Real Or Is It A Machine?”

Tussen 1915 en 1926 organiseerde Edison Company zogenaamde Tone Tests in de Verenigde Staten. Op die recitals speelde eerst een live muzikant en daarna een opname van diezelfde muzikant op een Edison platenspeler. Luisteraars konden zo zelf het live origineel en de reproductie met elkaar vergelijken. De Tone Tests waren razend populair en konden zelfs de Carnegie Hall in New York vullen. Gek genoeg, zo vertelt geluidshistorica Emily Thompson, begonnen akoestische ingenieurs niet veel later bij het ontwerpen van de akoestiek van concertzalen dezelfde klankkwaliteit als die van radio- en fonograafluidsprekers na te streven: een transparante, gefocuste en direct klank met zo weinig mogelijk nagalm. Terwijl klankopnames live opvoeringen simuleerden, had luisteren in Amerikaanse concertzalen rond 1930 dus iets weg van luisteren naar een plaat in je living. 

Nog later, toen in de jaren 1960 in de Royal Festival Hall in Londen een elektronisch systeem geïnstalleerd werd om de galm van de zaal te vergroten, hielden de akoestische ingenieurs dat stil uit bezorgdheid om de reacties die het gebruik van luidsprekers tijdens live klassieke concerten bij luisteraars zou kunnen opwekken. Maar het verhaal van de Edison Tone Tests toont mooi aan hoe concertzaalluisteren, zelfs als er geen elektronica mee gemoeid is, steeds door andere luistermedia beïnvloed wordt en vice versa. Hebben we daar vandaag al meer vrede mee, nu oude muziekspecialisten aan de hand van virtuele akoestiek de galm van de historische ruimtes waarin stukken ooit klonken evoceren, Beethovens strijkkwartetten via 4D-speakersystemen gespatialiseerd opgevoerd worden en concertzalen met immersieve soundsystemen uitgerust worden?